DE KRACHT VAN COMPLEMENTAIR BESTUUR

DE KRACHT VAN COMPLEMENTAIR BESTUUR

Decentralisatie zorgt voor toolbox op maat

Het wordt hoog tijd om de Toolbox van de gedecentraliseerde districten te behandelen. Het is de regering die dit op maat samenstelt met toepassingen van het bestuursrechtelijk fenomeen “ Decentralisatie van wet en regelgeving”. De toolbox benadering is de methode van simpel uitleg. De toolbox associeert met gereedschap en vakmanschap. De regering bepaalt welke, wat voor soort, hoeveel, waarvoor en voor  wie de gereedschappen – in de zin van wettelijke, politieke, bestuurlijke, fysieke, technische en andere  instrumenten  – nodig zijn en hoe deze te gebruiken voor het bereiken van regeringsdoelen.

Die toolbox is van de regering en haar lokale partners, de districtsoverheden, specifiek ingericht voor gebruik door zowel centraal Bestuur voor de uitoefening van taken in medebwind als lokaal bestuur voor de uitoefening van hun autonome taken.

Bepaalde gereedschappen kan je alleen in die BOX stoppen om op efficiënte en effectieve wijze ontwikkeling naar de  bevolking te brengen.

Decentralisatie is er om de centrale overheid efficiënter en effectiever te maken en niet om MACHT, bevoegdheden, geld en delen van het apparaat weg te halen en aan de districten over te dragen. Zeker niet om ze machtig te makten. Voorzover er sprake is van een angst dan is het een valse angst.

Tegen deze achtergrond gaan de beschouwingen hieronder verder, om, vooral de angst om macht in te leveren, weg te nemen.

Ik denk eerder aan globalisatie in eigen land. Wie kan wat effiecienter en doeltreffender doen? Laat die maar doen. Uiteraard zijn decentralisatie, medebewind en autonomie uitgeknipte “instrumenten” van complementair bestuur, die jammer genoeg niet adequaat worden benut. Wie zou niet willen dat we een krachtig bestuur bestuur moeten hebben? De wetenschap leert hoe. Wil je dit bereiken dan zal je als regering de verticale samenwerking (tussen ministeries en commissariaten) en de horizontale samenwerking (tussen ministeries onderling) niet moeten schuwen. Integendeel, gericht beleid voeren om het mogelijk te maken.

Gebruik de bestuurlijke macht en de bestuurlijke moed voor de overall WIN-WIN-WIN situatie. Kijk waar de sterke factoren zijn – globaal, centraal en decentraal – om op de meest doelmatige wijze de WIN-WIN-WIN situatie te scoren. De sterke factoren blijven versterken en de zwakte, op welk niveau ook, steeds proberen weg te werken om dit bestuursmodel, gestoeld op complementair bestuur, duurzaam in stand te houden.

Centraal Bestuur

De Regering c.q. de Ministers en de ambtelijke top zullen het idee moeten loslaten, dat decentralisatie enkel en alleen bevoegdheden, middelen, en delen van het apparaat, dus MACHT bij hun weghaalt en deze over laat gaan naar de Regionale Organen als de Districtsraad, Ressortraad en het Districtsbestuur. Ten onrechte leeft het idee dat door decentralisatie de lokale overheden teveel macht krijgen. Twee dingen, die niet samen gaan zijn: aan de ene kant decentralisaeren en tegelijkertijd het ideale impact ervan afremmen. Deze ouderwetse visie moet plaatsmaken voor modernere ideeën en concepten die ontwikkeld zijn en wereldwijd met succes worden toegepast.  De regering heeft zelf in de hand de machtsverhouding te bepalen via de  “toolbox-approach”. Het gaat om de inzet van de macht – centraal en decentraal – voor het realiseren van regeringsdoelen, verspreid over het hele land, stad, district, binnenland, tot op ressort, dorps- en wijkniveau met optimale participatie van de burgers.

Het heeft geen zin om de macht binnen de centrale overheid angstvallig, zelfs psychotisch vast te houden, wetende, dat  centralisme, concentratie van macht, bureaucratie, enz., geen populaire eigenschappen zijn van het centraal bestuur; in tegendeel zijn dat zaken, die  de ontwikkeling van het land ernstig stagneren. Volgens het internationaal ‘ranking’ systeem bijvoorbeeld scoort Suriname heel negatief/hoog, v.w.b. de bureaucratie, die behoorlijk en transparant bestuur ver van zich neerwaarts afstoot. Nu al is het zo dat je bij de centrale overheid door het bos de bomen niet meer ziet. De roep naar een krachtig bestuur wordt met de dag groter om de zeer uitdagende maatschappelijke en economische vraagstukken te kunnen aanpakken.  Je komt er niet onder uit om via decentralisatie de centrale overheid anders in te richten om het efficiënter en effectiever te laten functioneren. Als je decentraliseert, dan heb je als centrale overheid te accepteren om ook “anders” te functioneren.

Lokaal Bestuur

Decentralisatie van bestuur is een proces dat nauw verbonden is met het lokaal bestuur of met institutionele versterking van plaatselijke overheden, maar tegelijkertijd biedt het de mogelijkheid om de centrale overheid op een nieuwe manier te organiseren in relatie tot de gemeenschap door successievelijk de uitgangspunten  van het traditioneel centralisme aan te passen c.q. te hervormen.

Deze visie is een die door de Wereldbank, de IMF, de IDB, OAS en de UNDP, EU is geaccepteerd en zij doen er alles aan om met toepassing van deze definitie van decentralisatie, gepaard gaande met versterking van het lokaal bestuur, bestuurlijke hervormingen door te voeren. Daar zijn programma’s als DLGP zeer geschikt voor. Het is een politiek gevoelige zaak, en dat gaat zeker niet zonder slag of stoot dan wel met spanningen op alle niveau’s en binnen alle kringen. Het DLGP-projectbureau is zich hiervan bewust en moet zich door alles heen worstelen om:

  • De efficiency van de overheid te verhogen door middel van het versterken van de lokale overheden op het gebied van bestuursvoering, planning, administratie en financieel begroting en financieel beheer.
  • De Institutionele versterking van de onderlinge samenwerking en het bevorderen van efficiëntie tussen de overheidsdiensten door te voeren.
  • De betere verdeling van de taken, fondsen en overheidsuitgaven mogelijk te maken met de bedoeling dat de kwaliteit van de dienst en de kwaliteit van de dienstverlening wordt verbeterd en daardoor de kwaliteit van het leven van de burgers wordt bevorderd.

Als de regering, de politieke en de ambtelijke top het doel van het DLGP goed tot zich nemen, dan mag zeker worden verwacht, dat het Programma meer ondersteuning krijgt om het staatsapparaat op beide niveaus in de meest ideale positie van “krachtig bestuur” te brengen.

Complementair Bestuur

De vraag is: hoe kom je tot een krachtig bestuur. Het centraal bestuur alleen zal al het bestuurlijk en ontwikkelingswerk in het gehele land niet kunnen doen. Ook al is de score op macro-economische stabiliteit en economische groei hoog, het is de opeenvolgende regeringen toch niet gelukt het sociaal paragraaf in te vullen. Het valt op, dat niets of bitter weinig wordt bereikt voor de achtergestelde gebieden. De verloedering duurt voort. Het lokaal bestuur zal het ook niet alleen kunnen, hoezeer de TOOLBOX, waarmee het sociale vraagstuk aangepakt kan worden, voor een deel in hun pakket zit. Beide bestuurslagen zullen elkaar moeten aanvullen om in elkanders verlengde te kunnen liggen. Het bestuursapparaat op beide niveau’s moet efficiënt, effectief, transparant  en slagvaardig  kunnen handelen, mede door het leggen van een sterke link met de bevolking. Hier kan decentralisatie voor zorgen. De ministeries zijn verantwoordelijk voor de functionering van hun eigen apparaat/ministerie. Voor wat betreft het bestuursapparaat in de districten, is daarvan de zorg aan het ministerie van Regionale Ontwikkeling toevertrouwd. Met de uitvoering van het DLGP-I en II is het niveau van de capaciteit van de districtsbesturen behoorlijk opgekrikt.

Als de centrale overheid de eerder aangehaalde angst voor kwijtraken van macht loslaat, kan de machtsverhouding in de juiste context van complementair bestuur gebracht worden. Je zal dan moeten kijken naar de moderne literatuur om te weten hoe je omgaat met begrippen als globalisatie, decentralisatie, medebewind en autonomie om tot een sterk  bestuur te komen.

In de moderne literatuur wordt gestreefd naar krachtig bestuur, dat gezien wordt als de synergetische optelsom van bestuurlijke macht en bestuurlijke moed. Deze zijn complementair en versterken elkaar. Samen en niet elk afzonderlijk.

De bestuurlijke macht wordt gevormd door verticale samenwerking tussen centraal bestuur (Regering c.q. Ministeries) en het lokaal bestuur (Districtsbestuur, Districtsraden en Ressortraden).

De bestuurlijke moed duidt op de horizontale samenwerking tussen de ministeries onderling.

In Suriname is die samenwerking op beide niveaus zoek!!! En voorzover er is, dan zijn er sprake van incidentele momenten. Geen wonder dat in Suriname haast op alle fronten – administratief/bestuurlijk – alles met horten en stoten gaat. Van een sterk of krachtig bestuur is er dus geen sprake (ondanks de versterking!). Daar moeten we naar toe.

Bestuurlijke macht  is meer dan machtsvertoon vanuit een formele positie.

Het streven moet zijn gericht op gedeelde kansen, gedeelde verantwoordelijkheid en gedeelde voordelen tussen centraal en lokaal bestuur.

Het Win –Win -Win Mechanisme

Er is een mechanisme, dat houvast biedt om samenwerking op elk niveau. Om als groep zo snel en zakelijk mogelijk te kunnen handelen voor de meest doelmatige uitvoering: is het “verticaal samenwerken”. Dat kan je vooraf weten, als je de intentie hebt om duurzame prestaties neer te zetten; er verzekerd van te zijn, dat het mechanisme duidelijk leidt tot voordelen op alle niveau’s met als resultaat een “win-win-win” situatie. De Ministeries winnen (je hoeft minder uit te geven, je hebt je begroting, projecten  sneller kunnen realiseren in co-operatie/medebewind met de lokale overheid als partner, met bevolkingsparticipatie en met bijdrage vanuit de samenleving, die je als ministerie ontbeert; de Districtsbesturen winnen (door met inzet van hun “toolbox”, de ministeries te ondersteunen meer projecten uit hun begroting in hun district gerealiseerd te krijgen,  en de bevolking is de grootste winnaar door verkrijging van grote uitkomsten uit de verhoogde projectmatige ontwikkeling door samenwerking tussen het Districtsbestuur en de desbetreffende ministeries.

Hoe werkt dit mechanisme? De instrumentele benadering , zoals in de USA, is de beste benadering en het komt op het volgende neer:

–        Het vermogen om verticaal samen te werken door een verticale structuur (Directeuren en Diensthoofden van Ministeries  werken samen met de leden van de  Districtsbesturen).

–        Omlijnde werkstromen, regels, procedures om de beoogde uitkomsten/resultaten te bereiken, gaan gepaard met toenemend gebruik van ICT.

–        Kenmerkend moet zijn: samen doen (centraal en decentraal) o.a. in besluitvorming, strategie-ontwikkeling, regelgeving,  afspraken omtrent controle en handhaving ,“geval voor geval”, hetgeen wil zeggen, dat de samenwerking in de zin van wie wat doet, bepaald wordt, op welk niveau is welke kennis, ervaring, hoeveel middelen,  welke andere sterke factoren ter beschikking om het op te nemen in het samenwerkingsverband, hetzij in de vorm van een eenzijdige beschikking vanuit het Ministerie, als het initiatief  en de middelen uitgaande van het ministerie (= medebewind), dan wel in de vorm van een overeenkomst, als het initiatief en de middelen voornamelijk uit het districtsfonds komen.

Het doel van de samenwerking is prestatiegericht,  prestatieverhogend werken op korte, middenlange en lange termijn,  efficiëntie en kostenverlaging, die de samenwerking eveneens aantrekkelijk maken. Vragen, die hierbij worden gesteld: kan dit bereikt worden door uitvoering via het centraal bestuur of door de uitvoering over te laten aan het lokaal bestuur of zijn de meeste voordelen te halen door een samenwerking tussen de twee bestuurslagen?  Daarbij letten op  specifieke processen, specifieke ICT toepassingen, specifieke capaciteiten en structuren, kansen voor bevolkingsparticipatie en bijdragen vanuit de samenleving en ook kijken naar wat op welk niveau beschikbaar is.

Verticale samenwerking en verdergaande decentralisatie

Wanneer de ministeries hoe langer hoe meer bewust worden van deze voordelen van ‘complementair bestuur’ (elkaar aanvullen en samen doen), zal de regering zeker meer geneigd zijn om via decentralisatie passende gereedschappen in de Toolbox van de districtsoverheden te stoppen om de begrotingen c.q. projecten vanuit de ministeries efficiënter, effectiever, slagvaardiger en doelmatiger te kunnen realiseren. Dit kan, omdat in die toolbox er gereedschappen zijn, waarover de ministeries niet beschikken, niet kunnen en ook niet mogen beschikken. Zodoende profiteren de ministeries van (i) moderne en niet stagnerende comptabele regels in de BOX van de autonomie [1]van de districten, (ii) de versterkte civieltechnische diensten (CTD’s), (iii) de bevolkingsparticipatiestructuren (hoorzittingen/NGO’s/CBO’s), (iv) de particuliere bijdragen, (v) middelen uit de districtsfondsen, (vi) het wide aria net work (WAN) en andere ICT-faciliteiten, (vii) modern management team, (viii) handhavingsbevoegdheden van de DC, (ix) het controle mechanisme van het Districtsbestuur met bevoegdheden van ‘parate executie’, (x) de verordenende en fiscale bevoegdheden van de Districtsraad, (xi) de toezichthoudende taken van de Ressortraden op alles wat de ministeries en de districtsbesturen in de ressorten uitvoeren. Dit heel pakket is mede ter beschikking van de Ministeries, zaken die ze niet in hun prtefeuile hebben.

Hoe eerder de regering en de ministeries kennis nemen van de tools die op lokaal niveau beschikbaar zijn,  hoe eerder het vertrouwen zal groeien in het lokaal bestuur en des te sneller zullen de valse angsten voor het kwijtraken van macht verdwijnen[1]; De bestuursmacht van de districten is complementair aan de bestuursmacht van de centrale overheid. Dit zal leiden tot “verdergaande decentralisatie”, waar de President het erover heeft. Dan zal het moment aangebroken zijn voor de regering om de MACHT niet langer vast te houden, maar los te laten, en meer tools te stoppen in de Toolbox van de districtsoverheden. De mogelijkheden daartoe zijn simpel.


[1] Drs. Jules Wijdenbosch tijdens bespreking van de decentralisatiewetgeving in de vergaderzaal van de R.v.M op 14-04-2011:,,,, “de wijze of een plan van aanpak is nodig om leidinggevenden van ministeries de juiste attitude c.q ownership te laten aannemen voor maximale ondersteuning van het decentralisatieproces”…

De regering hoeft niet steeds naar De Nationale Assemblee (DNA). De Wet Regionale Organen  heeft de versterking van de autonomie van de districten in handen van de regering gelegd door bij staatsbesluit meer taken en bevoegdheden toe te voegen aan de autonomie. Waarom zou een regering dat doen? Wel,(i) om zelf  ervan te profiteren door de bestuurlijke instrumenten als medebewind en autonomie op de juiste wijze te hanteren. Zo kan de centrale overheid op lokaal niveau zorgen voor sterke partners (aan een zwakke arm heb je toch niks aan?). (ii) Om zelf en zo snel mogelijk af te komen van de administratieve rompslomp binnen de ministeries, die bureaucratisch zijn en stagnerend werken. De VP zei in 2013: Die rompslomp is de oorzaak van de late betalingen”. Hoe sterker de regering de autonomie[2] en het districtsapparaat maakt, hoe efficiënter en effectiever de ministeries zullen kunnen functioneren via de districtsoverheden, want daarin zal  de centrale overheid een sterke partner hebben gevonden. En wie zou niet een sterke partner willen hebben om mee samen te werken. Maak je de partner zwakker, bijvoorbeeld  door ‘recentralisatie’, dan wordt je als centrale overheid ook zwakker.

Hoe maak je de districtsoverheden als partner sterker en aantrekkelijk om bestuursmacht verticaal te delen?

De regering kan via staatsbesluiten steeds meer taken en bevoegdheden stoppen in die autonomie om daar zelf van gebruik maken in de context van complementair bestuur. Zie scala van mogelijkheden, die niet benut worden:

  1. De president kan bij resolutie meer onderwerpen toevoegen aan de beleidsopties ten behoeve van de sociaal – economische ontwikkeling van een district of ressort (art 1 Leden 2 en 3 Wet Regionale Organen (WRO) voor de DR en RR om daar rekening mee te houden bij het opstellen van respectievelijk districts –en ressortplannen;
  2. De Regering kan bij staatsbesluit ambten aanwijzen, die onverenigbaar zijn met het Lidmaatschap van de DR (art. 4 Lid 2), bijv.: Een DR Lid kan niet tegelijk Lid zijn van het Districtsbestuur; hetzelfde kan bepaald worden voor een RR-lid (art. 18 Lid 2);
  3. De Regering kan bij staatsbesluit en de DR bij verordening de RR meer taken opleggen (art. 25 WRO);
  4. De regering kan bij staatsbesluit nog meer “andere” onderwerpen aanwijzen die de DR bij verordening voor zijn district kan regelen (art. 37 Lid 3), dan slechts de twee onderwerpen (onderhoud van infrastructuur, pleinen en plantsoenen), die in WRO zijn genoemd. De DR is bevoegd Districtsverordening te maken in het belang van het district c.q. de districtshuishouding (art. 12 WRO); Zie ook art. 36 en art 37.
  5. De Regering kan bij staatsbesluit onderwerpen aanwijzen, ten aanzien waarvan de DR bestemmingsheffing kan invoeren, bijvoorbeeld heffing bij ophaal van huishoud afval, heffen van bijdrage bij bezoek aan Bigi Pan in Nickerie, heffen van tol bij gebruik van bepaalde infrastructurele werken en de daarin gelegen kunstwerken, zoals bruggen, sluizen, etc.
  6. De Regering kan bij staatsbesluit transactieboeten aanwijzen, die in het districtsfonds mogen worden gestort (art. 40 Lid 2e), bijvoorbeeld, dat alle boetes bij verkeersovertredingen in het districtsfonds worden gestort;
  7. De Regering kan bij staatsbesluit “Andere Inkomsten” aanwijzen, die in het districtsfonds mogen worden gestort (art. 40 Lid 2 d), zoals in 2013 het door de President afgekondigd “Donatiebesluit”, waardoor reglementair particulieren en bedrijfsleven, maar ook internationale organisaties en gemeentelijke overheden bijdragen mogen storten in het districtsfonds;
  8. Elk Ministerie is bevoegd een vertegenwoordiger aan te wijzen in het Districtsbestuur (DB) (art. 28 WRO), dus in het dagelijks bestuur van het district. De jure en de facto wordt het dagelijks bestuur uitgemaakt door de regering. Hierdoor kan het Ministerie zelf bepalen hoe sterk je wenst te participeren in het DB om daardoor een sterk controle op de bestedingen uit het districtsfonds uit te oefenen, en ook op de uitvoering van werken (van eigen ministerie) in het district, en ook op het apparaat, voer en vaartuigen;
  9. DB is bevoegd districtsbesluiten te maken ter uitvoering van een verordening of ter ordening van een onderwerp het district rakende dat niet bij wet afdoende is geregeld, en geen bevoegdheid is van de DR of een ander orgaan;
  10. DB/ dagelijksbestuur, eigenlijk is het de regering, die via DB de autonome taken van het district uitvoert, weliswaar onder controle van de DR (art 46 en 47 WRO).
  11. DB beheert het Districtsfonds, dus de middelen, die krachtens art 4 Interimwet art 40 WRO erin komen. DB beheert ook de inkomsten en uitgaven v.z.v. deze bij of krachtens wet aan de DC zijn opgedragen (art. 47 Lid 1 d WRO).
  12. In het kader van medebewind [3] kunnen ministeries bij beschikking taken opdragen aan het DB, middelen in contanten ter beschikking stellen voor de financiering, terzake richtlijnen geven en zodoende werken efficiënter laten uitvoeren: a) lokale capaciteit wordt ingezet, b) de uitvoering van ministeriële taak binnen de efficiëntere comptabele sfeer van het district gebracht, terwijl de verantwoording via BFB-Handboek plaatsvindt.
  13. De regering kan bij staatsbesluit meer taken aan het DB opdragen (art. 47 Lid 1 k);bijvoorbeeld controle en toezicht op de naleving van wetten, etc. op de buslijnen, milieu, gezondheid, uitgegeven gronden, bouw en woning toezicht, enz. Voordeel: het DB en de DC hebben krachtens art 48 en 49 WRO vergaande handhavingbevoegdheden. De kosten te bestrijden uit verkeersboeten die in het districtsfonds worden gestort;
  14. De DC oefent bevoegdheden uit die krachtens de wet hem zijn gegeven en niet in strijd zijn met andere wetten (art 31 Lid 2).
  15. De DC is bevoegd Ontwerp-districtsverordening bij de DR in te dienen. DC is voorzitter van het Districtsbestuur, hetgeen mogelijkheid biedt voor de Leden van het DB via de DC Ontwerp -verordeningen bij de DR in te dienen, m.a.w. de ministeries kunnen via hun vertegenwoordiger in het DB dit bevorderen (art. 41 WRO);
  16. De DC coördineert de verrichtingen van alle overheidsdiensten (art. 48 Lid 2);
  17. De President kan per regio (twee of meer districten bij staatsbesluit aan te wijzen) een Regionaal Commissaris benoemen betreffende complementair bestuur, regionale ontwikkeling, samenwerking der districten ter behartiging van gemeenschappelijke belangen;
  18. De Ministeries kunnen via het Districtsbestuur gebruik maken van de communicatiestructuren, informatie, voorlichting en inspraak naar het volk toe ter verkrijging van draagvlak onder het volk voor hun beleid, plannen en projecten, bijv. van het instituut van hoorzittingen, Bevolkings Info Centers, de One-stop Service balies, het Wide Area Net Work (art 49 en 50 WRO);
  19. De Minister van Financiën moet nieuwe richtlijnen geven mbt de inrichting van de ministeriele en districtsbegrotingen (art 54 WRO), o.a.  (i) de ministerie begrotingenper district  regionaliseren: duidelijk aflezen, wat de ministeries per district gaan realiseren en welke projecten op voorstel van de districten in die begrotingen zijn ingebed, die op basis van medebewind door de Districtsbesturen zullen worden gerealiseerd; (ii) de districtsbegrotingen: a) de autonome begroting, die 100%  WRO taken  (art. 47 e.v. e.v WRO) weerspiegelt en met eigen inkomsten gefinancierd worden, dus  met middelen van artikel 4 Interimwet; de tekorten op de begroting worden gedekt door de begroting van Ministerie van Regionale Ontwikkeling, b) medebewindbegroting die betrekking hebben op de beleidsopties van art. 1 WRO in te bedden in de begroting van de respectievelijke ministeries, en c) een begroting van overige projecten, hetzij opgebracht via de districtsplannen / hoorzittingen, het zij door de regering opgebracht,  speciaal gericht op verbetering van woon – en leefomstandigheden in de verloederde achtergestelde woongemeenschappen met speciale budgetlijn in RO begroting.

Dit Blog Artikel: “De kracht van Complementair bestuur” is geschreven ter bevordering van de harmonisering van de horizontale en de verticale samenwerking tussen de twee bestuurlagen in Suriname: de centrale overheid en de lokale / districtsoverheden. Mede tegen de achtergrond van hetgeen is gezegd bij de level 2 certificering van de laatste 5 districten op 3 februari 2014, waarmee alle 10 districten op gelijk niveau zijn komen te staan voor wat betreft de capaciteit o.a. op het gebied van begroting en financieel beheer, alsmede uitvoering van civieltechnische, bouwkundige en ontwateringswerken. Opvallend was daarbij de stelling: “Ontkennen van de opgebouwde capaciteit en de versterking van de lokale overheden heeft geen zin, het accepteren daarvan is een probleem”, aldus de DLGP Managing Director, mr. Basharat Ahmadali. De Minister van Regionale Ontwikkeling, mr. Stanley Betterson waarschuwde, dat de investeringen in het versterken van het lokaal bestuur kunnen blijken zinloos te zijn, als er daar geen gebruik van wordt gemaakt.

Paramaribo, 15 februari 2014

mr. Basharat Ahmadali

 

 


[2] Medebewind: Medebewind moeten we zien als   het uitvoeren  door een lagere overheid    van door de  hogere ( centrale ) overheid  vastgestelde regels .In deze zal de hogere overheid  bij  een wettelijke regeling de medewerking vorderen van de lagere overheid   –  Districtsbestuur  –  om hetgeen in  medebewind moet worden uitgevoerd te realiseren. Zowel de ministeries als de districten  moeten vanuit hun bevoegdheden beleid maken. Hierbij dienen zij rekening te houden met  elkaars bevoegdheden  en territoir  omdat sprake moet zijn van een harmonisch  – bij elkaar passend – beleid.De initiatieven  moeten zowel van de kant van de ministeries als van de kan van de districten worden genomen  om het beleid  te integreren. Daartoe zullen zij verplicht zijn  elkaars  beleidsnota’s  naar elkaar te zenden  en beleidoverleg moeten  plegen.

 


[1] Drs. Jules Wijdenbosch: tijdens bespreking van de decentralisatiewetgeving in de vergaderzaal van de R.v.M op 14-04-2011:,,,, “de wijze of een plan van aanpak is nodig om leidinggevenden van ministeries de juiste attitude c.q ownership te laten aannemen voor maximale ondersteuning van het decentralisatieproces”…

[2] Autonomie: Het begrip autonomie wordt gebruikt om iets aan te geven dat wenselijk wordt geacht, nl. een zo groot mogelijke eigen beslissingsvrijheid van de gedecentraliseerde lichamen. In Suriname houdt autonomie in dat een district  de bevoegdheid krijgt om  regelgeving  te maken en  om voor de eigen huishouding te  zorgen. De wetgever geeft aan de regelgevende  organen van het district de bevoegdheid om districtsverordeningen en districtsbesluiten vast te stellen.

[3] Medebewind: Medebewind moeten we zien als   het uitvoeren  door een lagere overheid    van door de  hogere ( centrale ) overheid  vastgestelde regels .In deze zal de hogere overheid  bij  een wettelijke regeling de medewerking vorderen van de lagere overheid   –  Districtsbestuur  –  om hetgeen in  medebewind moet worden uitgevoerd te realiseren. Zowel de ministeries als de districten  moeten vanuit hun bevoegdheden beleid maken. Hierbij dienen zij rekening te houden met  elkaars bevoegdheden  en territoir  omdat sprake moet zijn van een harmonisch  – bij elkaar passend – beleid.De initiatieven  moeten zowel van de kant van de ministeries als van de kan van de districten worden genomen  om het beleid  te integreren. Daartoe zullen zij verplicht zijn  elkaars  beleidsnota’s  naar elkaar te zenden  en beleidoverleg moeten  plegen.

Comments are closed.